Inclusie in STEM

Inclusie in STEM

Een inventarisatie van drempels en hefbomen voor inclusie in STEM-studies en – jobs.

Ter ondersteuning van de STEM-agenda 2030 van de Vlaamse overheid, hebben we een studie opgezet waarin we zochten naar verklarende factoren in de academische literatuur waarom mensen al dan niet voor STEM-studies en -jobs kiezen. Het is namelijk de bedoeling dat iedereen de maatschappelijke transities aankan door o.a. STEM-competenties te verwerven. Bepaalde groepen (bijvoorbeeld vrouwen en etnische minderheden) lijken echter minder interesse in STEM te tonen, en stromen niet of moeilijk door in STEM-opleidingen en -jobs. Daarom moet er rekening gehouden worden met inclusie, zodat iedereen die wil en iedereen met talent, ongeacht gender, leeftijd, afkomst of sociaaleconomische situatie (SES) aan STEM kan participeren. In dit artikel lichten we een selectie van verklarende factoren toe. Voor het volledige overzicht kan je hier het rapport raadplegen.

Ten eerste hebben stereotypen die leven in de maatschappij ten aanzien van STEM(-jobs) een impact op de individuele attitudes en keuzes van bepaalde doelgroepen. Zo toont een studie dat er betere genderverdelingen zijn in STEM, met name in wiskunde (zowel in keuzes als resultaten), in landen waar er meer gelijkheid is tussen mannen en vrouwen. Daarnaast heeft het stereotype dat mensen van een bepaalde etnische origine beter of slechter zouden zijn in bepaalde competenties een invloed op hun kans op aanwerving in bepaalde posities. Bijvoorbeeld dat mensen van Aziatische origine automatisch goed zijn in programmeren of dat mensen van Afro-Amerikaanse origine minder academisch aangelegd zouden zijn.

Ten tweede houden ouders, kennissen en peers deze sociale normen en stereotypes mee in leven. Bijvoorbeeld, hoger opgeleide ouders lijken hun kinderen vaker richting STEM te sturen (in opleiding of vrije tijd). Het inzetten van (succesvolle) rolmodellen (bv. peers of leraren) heeft een hefboomeffect op de keuze voor STEM. Maar deze rolmodellen moeten wel gelijkaardige achtergronden hebben (zoals gender, etniciteit, leeftijd en sociaal - economische status), zodat de doelgroep zich in hen kan identificeren én de idee heeft dat het ook haalbaar is voor hen. Indien daaraan niet wordt voldaan, kunnen rolmodellen een averechts effect hebben in de keuze voor STEM.

Ten derde is de perceptie van beroepsmogelijkheden een belangrijke factor bij de (blijvende) keuze voor STEM. Hierbij neemt men in rekening of een job boeiend is, of er voldoende jobs beschikbaar zijn, of er work-life balance is, en wat het salaris zal zijn. Het salaris speelt voor vrouwen minder mee dan voor mannen, voor hen is een goede work-life balance belangrijker. Of iemand een job boeiend vindt, blijkt ook gendergevoelig. Vrouwen zijn meer geneigd te kiezen voor jobs die met mensen te maken hebben, terwijl mannen vaker de neiging hebben om te kiezen voor jobs die gefocust zijn op dingen. Bovendien zouden vrouwen afgeschrikt worden van jobs die gedomineerd worden door mannen.

Ten laatste heeft participeren aan informele STEM-activiteiten (bijvoorbeeld zomerkampen, STEM-competities, STEM-academies…) een positief effect op competenties, interesse (ook na controleren voor bestaande STEM-interesse) en attitudes t.a.v. wetenschap en techniek. Er zijn indicaties dat het ‘low-stakes’ karakter van de activiteiten, waarbij er niet getest wordt, positieve effecten heeft op bijvoorbeeld etnische minderheden en vrouwen die angst hebben om te falen.

arrow team members
foto Ditte Kimps
Ditte Kimps
Expert Onderwijs & Levenslang Leren